13-12-2018

Werkende armen

Wekelijks verschijnen er tal van rapporten met nieuwe cijfers over ontwikkelingen in het sociaal domein. Elke maand nemen wij één van deze rapporten onder de loep en lichten we de belangrijkste cijfers toe in. Deze keer het rapport van het Sociaal Cultureel Planbureau ‘als werk weinig opbrengt’. Dit rapport beschrijft de situatie rondom armoede onder werkenden.

Welke ontwikkelingen zien we rondom armoede?

Eerder onderzoek laat zien dat betaald werk de belangrijkste manier is om armoede te voorkomen. Toch komt ook onder werkenden armoede voor. Sterker nog: als men de armen van 18 jaar en ouder uitsplitst naar hun voornaamste inkomstenbron dan vormen degenen met betaald werk de grootste doelgroep. Het aantal werkenden in armoede steeg tussen 2001 en 2014. In 2014 was 4,6% van de werkenden in Nederland arm. Dat waren ongeveer 320.000 personen, waarvan 175.000 van hen in loondienst waren en 145.000 werkten als zelfstandige.

Vaak wordt gedacht dat het toenemen van armoede onder werkenden te maken heeft met de economische crisis. Sommige deskundigen vrezen echter dat de armoedetoename onder werkenden (deels) blijvend zal zijn. Een deel van de armoedegroei lijkt namelijk structurele oorzaken te hebben, zoals de toename van het aantal zelfstandigen. Voor zelfstandigen geldt het minimumloon namelijk niet en zijn er geen vaste cao-lonen, waardoor het risico op armoede hoog is. Daarnaast moet de koopkracht aan de onderkant van de inkomensverdeling stijgen, wil het armoedepercentage dalen. Dit kan o.a. bereikt worden door stijgende (cao-)lonen. Echter, de (cao-)lonen zijn in 2015 en 2016 nauwelijks gestegen.

Bij welke doelgroepen is het armoederisico het hoogst?

Onderstaande tabellen geven verschillende doelgroepen weer. Groepen met een armoedepercentage van minstens 6,5% en een aandeel in alle werkende armen van minstens 8% zijn dik gedrukt weergegeven en vormen de doelgroep met het hoogste risico.

 

 

 

 

 

 

 

Welke mogelijke verklaringen zijn er voor de armoedegroei onder werkenden?

Het armoedepercentage is in de periode van 2001-2014 gestegen. Daar zijn verschillende verklaringen voor:

  1. De achteruitgang van de economie. Dit zorgde ervoor dat het aantal werkenden dat een deel van het jaar werkloos was of een werkloze huisgenoot had, steeg.
  2. De inkomensontwikkeling bleef achter bij de inflatie, waardoor het risico op onvoldoende inkomsten voor iedereen groeide.
  3. Het aantal oproepkrachten, zzp’ers, niet westerse migranten en werkenden uit Midden- en Oost-Europa steeg.
  4. Het aantal alleenstaanden en alleenstaande ouders onder werkenden steeg licht.
  5. De regels rond uitkeringen zijn aangescherpt. Namelijk de maximale duur van de werkloosheidsuitkering is ingekort en de verplichtingen voor bijstandsontvangers zijn vergroot. Dit heeft tot gevolg dat:
    • Sommige werkzoekenden sneller laagbetaald werk accepteerden dan vroeger;
    • Werklozen eerder terugvallen van een WW-uitkering op de (meestal lagere) bijstand, of ze hebben geen recht meer op een uitkering.

Hoe gaan gemeenten om met dit probleem?

Gemeenten ondervinden verschillende moeilijkheden in preventie en ondersteuning van werkende armen:

  • Gemeenten vinden het moeilijk om werkende minima in beeld te krijgen. De reden hiervoor is dat deze werkenden geen ‘natuurlijk’ doelgroep voor gemeenten vormen, en ze ook via externe partners van de gemeente slechts in beperkte mate in beeld komen. Ook heerst er onder zelfstandigen een groot stigma om bij de gemeente aan te kloppen voor hulp.
  • Gebruikte voorzieningen richten zicht voornamelijk op de groep die bekend is: bijstandsontvangers die zijn uitgestroomd naar werk of die hun uitkering combineren met werk, maar mist hierdoor ook een groot gedeelte van de beoogde doelgroep.
  • Ondersteuning van zelfstandigen is vaak op grond van de Bbz (besluit bijstandsverlening aan zelfstandigen). Hiervoor komt echter niet iedereen in aanmerking.

Weinig gemeenten hebben gericht beleid voor de doelgroep ‘werkende armen’, maar de nadruk komt wel steeds meer hierop te liggen. Er zijn dan ook verschillende manieren waarop gemeenten momenteel deze doelgroep proberen te bereiken. Voor zelfstandigen gebeurt dit vaak via de Kamer van Koophandel en in sommige gemeenten zijn informatiebalies waar zelfstandigen terecht kunnen voor inlichtingen en hulp. Werknemers in loondienst worden geprobeerd te bereiken via personen en instanties waar zij mee te maken hebben, zoals de huisarts, de school van hun kinderen, sociaal raadslieden, zorgverzekeraars en woningcorporaties.

Bron: Als werk weinig opbrengt, Sociaal Cultureel Planbureau, 2018